Bij de wijzigingen in het schema worden er een aantal belangrijke wijzigingen doorgevoerd zoals: gebruik van het LAVS is verplicht, het deskresearch wordt belangrijker, de DIA krijgt meer verantwoordelijkheden, het type onderzoek (A of B) verdwijnt (het doel van het onderzoek staat centraal) en bij een ernstige asbestverontreiniging moet een inkadering worden uitgevoerd.

Het certificatieschema SC-540 wordt per 1 maart 2017 certificatieschema voor asbestinventarisatie en asbestverwijdering. De schema’s worden samengevoegd. Belangrijke wijzigingen in het schema gericht op asbestinventarisatie zijn:

  1. Het gebruik van het Landelijk Asbest VolgSysteem (LAVS) wordt verplicht voor inventariseerder, saneerder en eindcontroles. Inventarisatieburo’s zijn verplicht meldingen, uitsluitingen/ beperkingen en project- en brongegevens in het digitale systeem van Rijkswaterstaat in te voeren.
  1. Het uit te voeren deskresearch wordt belangrijker. Een inventarisatieburo wordt verplicht gesteld om de opdrachtgever te verzoeken om plattegronden, bouwtekeningen, bestekken of andere relevante documenten waarin asbesthoudende toepassingen beschreven zijn beschikbar te stellen.
  1. Naast de uitvoering van de inventarisatie is het opstellen van het inventarisatieplan ook een taak van de DIA. Er moet gecontroleerd worden of het object voldoet aan de vooraf opgegeven kenmerken en of datgene wat de opdrachtgever heeft aangegeven ook daadwerkelijk klopt. Er moet, van asbestverdachte materialen, altijd een representatief monster worden genomen; bij niet homogene materialen (waarin meerdere asbestsoorten voorkomen) is het nemen van meerdere monsters verplicht. De DIA is zelf verantwoordelijk voor gemist asbest en dit moet door het asbestverwijderingsbedrijf altijd worden gemeld aan de Certificerende Instelling.
  1. Type onderzoek A en B Tijdens het gehele traject van asbestinventarisatie staat de vraag van de opdrachtgever centraal. Inventarisaties zijn daardoor meer gericht op de specifieke behoefte van de opdrachtgever dan voorheen het geval was. Daarmee wordt beter gehoor gegeven aan de vraag van de opdrachtgever. Het is dus belangrijk dat deze heel helder geformuleerd is. Dit zal leiden tot meer gerichte inventarisaties en daarmee geen/ minder uitsluitingen.
  1. bij een ernstige asbestverontreiniging moet een inkadering worden uitgevoerd. Het gaat hier niet om een volledig NEN 2991-onderzoek, maar om het nemen van kleefmonsters direct bij de asbestinventarisatie om de omvang van de asbestverontreiniging te bepalen. Deze zogenaamde inkadering maakt daarmee onderdeel uit van de inventarisatie en gebeurt zowel visueel als door het nemen van kleefmonsters. In principe geldt het aantal van tenminste vier kleefmonsters per ruimte, maar er is een aantal uitzonderingen (volgens NEN 2991, versie 2015).
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *